Filter op
Terug naar overzicht

Arnhemmers over zijn of haar voedingspatroon

Tijdens een zondags ontbijtje vertelt Arnhemmer Steffan Webel (43) over zijn vroegere, huidige en toekomstige eetgewoonten.

 

Wat at je vroeger?


Ik ben opgegroeid in de stad Trier in Duitsland. Mijn grootmoeder was een boerin in hart en ziel. We aten bijna altijd aardappelen, groenten en vlees of vis, dat hoorde gewoon bij het eten. Soms aten we ‘Debbelappes’: geraspte aardappels, met ei en groente. Een typisch gerecht uit het Saarland. Daar keek ik altijd erg naar uit. Mijn moeders specialiteit was ‘Löwenzahnsalat’, een salade van paardebloemblaadjes. Vooral de saus met uitjes en spekjes maakte het lekker. De blaadjes zelf vond ik toen nog te bitter. Ik heb het zelf ooit geprobeerd te maken, maar dat smaakte toch niet zoals vroeger.

In mijn puberteit werd ik vegetariër, maar ik weet niet meer goed waarom. Ik denk dat de belangrijkste reden was dat het gezonder was, maar het kan ook zijn dat ik het deed om mijn oudere zus na te doen, of uit verzet tegen mijn ouders. Dierenonrecht speelde zeker ook een rol, maar dat was toen niet het belangrijkste. Verder dacht ik niet zoveel na over mijn eten. In mijn studententijd ging ik vaak naar de mensa en haalde ik vaak falafel met friet. Mijn favoriete snackbars waren de Kochlöffel in Keulen en de Hapsnap in Rotterdam. Compleet fout eigenlijk.

Toen ik in Nijmegen studeerde, vertelde een vriendin me over het boek Suikerweeën (Sugar Blues, 1975) van William Dufty, waarin staat dat suiker heel slecht voor je is. In het boek ging het niet over de ‘grote gemene voedselindustrie’, maar werd alles heel nuchter opgeschreven. Na het lezen van dit boek ben ik van de ene op de andere dag gestopt met het eten van suiker.

Wat eet je nu?

Ik geniet nu meer dan vroeger van wat ik eet. Vroeger werkte ik in een kwartier een hele reep chocolade naar binnen. Nu neem ik een klein stukje en drink er een portje bij. Sinds ik in Nederland woon, eet ik iets meer (biologisch) vlees.

Sinds 2003 heb ik een volkstuin op de Braamberg, omdat ik gezonder wilde eten. Door te zien hoe dingen groeien, heb ik mijn eten veel meer leren waarderen. Aardappels uitgraven is voor mij net een soort schatgraven. Ik heb daar ook veel verschillende soorten van in mijn tuin. Die haal ik bij Manufactum in Duitsland, waar ze van elke soort 1 aardappel aanbieden. Soms heb ik wel zeven verschillende aardappelrassen in mijn tuin, zoals de Vitelotte, een aardappel die van buiten en van binnen paars is. Ik heb ook een keer een aardappelproeverij georganiseer voor vrienden. De aardappels kookte ik met zout en serveerde ik met een beetje boter. Ik weet helaas niet meer welke aardappel toen als beste uit de bus kwam.

In Nederland heb ik ook spruitjes leren eten. Als er spruitjes in de winkel liggen, kan ik wel een halve week achter elkaar spruitjes eten. In mijn volkstuin heb ik ook een keer spruitjes geprobeerd, maar omdat er knolvoet in de grond zat, kon ik een paar jaar geen kool meer kweken.

Wat denk je in de toekomst te eten?

Ik denk dat ik nog wel vlees zal blijven eten, maar misschien wel nog wat minder. Als iedereen minder vlees zou eten, dan zou de bio-industrie wellicht niet nodig zijn om ons van vlees te voorzien. Vlees is nu ook een soort statussymbool van de westerse wereld. Een massaproduct, waar mensen zo aan gewend zijn dat ze het gedachteloos naar binnen werken. En dat terwijl het helemaal niet nodig is om elke dag vlees te eten om gezond te blijven.

Sommige mensen zeggen dat we in de toekomst insecten moeten eten. Een paar jaar geleden heb ik via internet sprinkhanen en meelwormen besteld om te bereiden voor collega’s.  Gewoon omdat we het daar wel eens over hadden. Ik heb het daarna niet meer geprobeerd. Niet omdat ik het niet lekker vond, maar omdat ik niet goed weet hoe ik het goed kan bereiden. Als het ergens in een restaurant op de kaart zou staan, zou ik het wel weer willen proberen.

foto: Sanne  Zurné

Meer interviews op www.arnhem-direct.nl