Filter op
Terug naar overzicht

Van de Hoed en de Rand: de verbindende stadstuin

Tijdens SFYN Academiedagen borrelen er weleens vragen op in discussies. Vragen, waar op dat moment geen tijd voor is om het antwoord te achterhalen. Jammer, want zo missen we essentiële kennis. Maarten Kuiper (historicus, programmamaker en oud-YFM academicus) werpt zich daarom op als Willem Wever en gaat op onderzoek uit. Hij wil van de hoed en de rand weten.

Tijdens de tweede Academiedag over Trends vroegen we ons af waar die opleving van stadstuinen, dakakkers en urban farming nu vandaan komt. Maarten ging op zoek en kwam met het volgende antwoord.

Waar komt die opleving van stadstuinen & daktuinen vandaan?
Je hebt mensen die elk gesprek over standslandbouw platslaan met semantisch geneuzel. Wouter Klootwijk bijvoorbeeld: ‘Stadslandbouw is een onbruikbaar begrip. Een stad heeft geen land. Stads-tuin-bouw kan er mee door.’ Zucht… Ik ben pragmatisch gemakzuchtig, en veeg voor dit artikel stads-, volk-, buurt-, moes- en daktuin allemaal op de verenigende hoop der stadslandbouw. Ik hoop dat jullie het me vergeven.

Voor mij, ooit historicus, is het verdwijnen van stadslandbouw interessanter dan de heropleving daarvan. Landbouw en stad ontwikkelden zich duizenden jaren hand in hand, vanaf de neolithishe revolutie, ongeveer 15.000 jaar geleden. Pas door verstedelijking en modernisering vanaf de 18de eeuw, en met name de opkomst van spoorwegen en gekoelde wagons, verdween de laatste noodzaak om bederfelijke goederen in de buurt van de grote concentraties mensen te produceren. ‘The final emancipation of the city from any apparent relation with nature at all’, zoals Carolyn Steel dat zo mooi zegt.

Zelfvoorziening en economische noodzaak
Terwijl de stad zich emancipeerde van het landschap, zie je in diezelfde periode een tegengestelde ontwikkeling; maatschappelijke initiatieven die in de groeiende steden de verbinding tussen bevolking en voedselproductie blijven waarborgen. Het begin van de moderne volkstuin in Nederland, en met name in Amsterdam, sluit direct aan op het werk van de “Maatschappij tot het Nut van het Algemeen” (1784). Deze organisatie streefde na de belangen van de arbeidende klasse te bevorderen, onder andere door verhuring van tuingronden aan “werklieden en daarmee gelijk te stellen personen”. Arbeiderstuinen werden dus uitgegeven tegen lage prijzen met de bedoeling dat de grond door de gebruikers in hun vrije tijd zou worden bewerkt, voornamelijk voor de teelt van aardappelen en groente voor eigen consumptie.

Die tuinen hadden dus vooral een economisch doel: verhoging van het gezinsinkomen van de gebruikers. Vergelijkbare initiatieven vinden we in andere Europese landen. Zo kregen Engelse instellingen voor armenzorg begin 19de eeuw het recht om gemeentegronden voor volkstuinen – Allotments – te reserveren. In Frankrijk was zo’n beweging nauw verbonden met de kerk. In het bijzonder in Noord-Frankrijk waren kerk en klooster initiatiefnemers om arme parochianen met vers voedsel meer bestaanszekerheid te geven. Coins de Terre of later: Jardin Ouvrier werden die Franse tuinen genoemd. De moderne Duitse volkstuin – Armengärten – werd geïnitieerd door de Duitse huisarts en pedagoog Daniel Gottlieb Schreber (1808-1861). Geraakt door de Verlichting houdt hij vurige pleidooien voor volksopvoeding, zowel fysiek als moreel. De jeugd stond daarbij centraal.

Urgentie piekt en verdwijnt
Twee wereldoorlogen veranderden de rol en noodzaak van stadslandbouw. Na de start van de oorlog in augustus 1914 werd al snel duidelijk dat de voedselvoorziening in Nederland moeilijkheden kon gaan ondervinden. Ondanks de Nederlandse neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog werden steeds meer levensmiddelen alleen nog maar op distributiebonnen verkrijgbaar, en werd het voedselgebrek steeds nijpender. In ieder geval in de gemeente Amsterdam ontstond toen initiatief om grond die niet direct voor andere doeleinden nodig was te gaan gebruiken voor de teelt van groente en fruit.

Vandehoedenderand_2_Volkstuin_Alkmaar_Franklin_Heijen
Het jaar 1921 vormde een keerpunt in het gebruik van de volkstuinen. Aangezien er geen direct voedselgebrek meer was, veranderde het karakter van de volkstuin meer richting recreatietuin. Alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog is de volkstuin wederom van betekenis voor de voedselproductie.

Na de Tweede Wereldoorlog nam de industriële voedselproductie een vlucht, het aanbod van voedsel werd steeds breder en goedkoper. Daarmee is de economische noodzaak om er een eigen moestuintje op na te houden nagenoeg verdwenen. Volkstuinen krijgen een meer recreatief karakter, en worden vaker ingezet voor sierteelt.

Vandehoedenderand_2_volkstuinbelasting

De morsige, wereldvreemde stadslandbouwer; vanuit dit beeld geschetst door Van Kooten en de Bie bekijk ik – bewust onwetend – de heropleving van stadslandbouw. Ik had er een Chriet Titulaer-esque beeld bij, opeens zie ik het overal, en hoewel het stiekem nooit weg was, vraag ik me nu af waarom we weer een heropleving waarnemen. Hieronder daarop een poging tot antwoord.

Zelfvoorziening 2.0
De meest simpele en herkenbare verklaring horen we vaak genoemd worden, zelfvoorziening. Sinds iemand bij de FAO een keer aangeschoten op een vrijdagmiddagborrel giste dat we in 2050 wel eens met 9 miljard mensen zouden kunnen zijn, doet ieder idee rond zelfvoorziening van immer groeiende metropolen doet het goed. Het is ook een punt dat veel mensen heerlijk vinden om te debunken. Zie bijvoorbeeld dit onderzoek over urban agriculture in Seattle. Bij de debunkers proef ik vaak de opmerkelijke aanname dat stadslandbouw niet van waarde is als het een stad niet 100% zelfvoorzienend kan maken.

Stadslandbouw ter structurele bestrijding van armoede is volgens mij geen factor van betekenis, niet in Nederland in ieder geval. Fotograaf Henk Wildschut zag het wel bijvoorbeeld in Mumbai en in de vluchtelingenkampen bij Calais.

Community
Een ander punt dat vaak genoemd wordt als drijfveer achter de huidige opkomst van stadstuinen is de sociale cohesie die het zou bevorderen. Zo gist bijvoorbeeld Dick Veerman op Foodlog: ‘Sociaal-psychologen zeggen dat [stadstuinieren] helpt. Het is geen voedselproductie, maar zoiets als een aanleiding om met elkaar contact te hebben, en dat ‘ons soort mensen’- gedoe een beetje kwijt te raken. Een soort resocialisatie-traject dus.’

Niet te onderschatten, de stadstuin past als concept goed in de ‘participatiesamenleving’ waar onze Ruttige overheid graag een transitie naartoe wilt maken. In die hoedanigheid kreeg het vanuit gemeentes en fondsen de afgelopen jaren behoorlijke financiële steun toegekend.

Verbinding met voedsel
De derde reden is de vaagste, maar vanuit YFM perspectief waarschijnlijk de belangrijkste; verbinding met voedsel. Het idee dat de mens die zijn voedsel ziet groeien er een verstandiger, duurzamer en minder vadsige consument van wordt. Het is een idee dat bijvoorbeeld door Jaap Seidell veelvuldig gepropageerd wordt. Het is een goed idee. Het is geen nieuw idee: het Vlaamse Werk van de Akker richtte begin twintigste eeuw al meerdere schooltuinen op, bevreesd dat het kind van de industriearbeider een ‘kunstmatigen, verindustrialiseerden, onnatuurlijken en onpersoonlijken mensch’ zou worden.

Vandehoedenderand_2_Hipstermarket_Mike_Dennis

De Hipstervore
Dan rest ons nog de meest cynische benadering, die van de ‘hipstervore’. Deze term introduceerde schrijver Robin Shulman in haar boek ‘Eat the City’ om aan te geven dat de waargenomen opleving van stadslandbouw vooral te danken is een groep jongeren die er een hype element aan toevoegt. Dat maakt stadslandbouw meer zichtbaar. Gelukkig zegt Shulman ook: ‘Belangrijk is dat de we erkennen dat de hipstervores maar één van de vele groepen zijn. De hipstervores zijn gewoon de meest zichtbare groep, that’s all.’

Kortom: waar komt die opleving van stadstuinen/daktuinen vandaan? Het is wat mij betreft belangrijker om ons te beseffen hoe mooi het is dat de interesse relatief kort is weggeweest. Historisch gezien, welteverstaan.

PS: voor wie verbinding met zijn groenten zoekt, moet gewoon beginnen met het kijken van Maarten’s Moestuin, een van de mooiste dingen die de Nederlandse televisie in de afgelopen jaren heeft voortgebracht.

Bedankt voor de vraag, ik ben benieuwd wat de dag van het dier voortbrengt.


Maarten Kuiper// Maarten Kuiper doorliep in 2015 de SFYN Academie. Hij is historicus van huis uit, maar was ook programmamaker bij  bijvoorbeeld We Feed the Planet in Milaan en het Food Film Festival.
 Stiekem heeft hij de droom zich te specialiseren in voedselgeschiedenis. In deze rubriek Van de Hoed en de Rand alvast een voorproefje.