Filter op
Terug naar overzicht

Nederland als voorbeeld? We hopen van niet!

In aanloop naar Food Filmfestival in Den Haag verschenen hier twee stukken van Lindsey Wuisan en Sarah Verroen over de Nederlandse visserij. Kleinschalige standvissers Jan en Barbara Geertsema-Rodenburg laten ook van zich horen.

Dit is een reactie op We Feed The Planet: Lessen voor de Nederlandse visserij? en de reactie daarop van Sarah Verroen.

Lindsey Wuisan probeert in “We Feed The Planet: Lessen voor de Nederlandse visserij?” de gesprekken over visserij die ze bijwoonde tijdens de bijeenkomst “We Feed The Planet” in Milaan te plaatsen in de Nederlandse context. Niet eenvoudig, wij vinden dat zelf ook altijd lastig als we terugkomen van internationale bijeenkomsten van Slow Food/Slow Fish. Het gaat daar immers vaak over kleinschalige visserij en visserijcultuur met een omvang die in Nederland allang niet meer bestaat, en over wantoestanden die we ons in Nederland niet kunnen voorstellen. Het is daardoor niet meteen duidelijk hoe je de verhalen uit het internationale netwerk kan meenemen in de Nederlandse situatie.

Sarah Verroen reageert op het stuk van Lindsey Wuisan met een oproep tot nuanceren en veel lof voor de Nederlandse visserij: Naast goed visstandbeheer is de Nederlandse sector koploper op het gebied van innovatie. Het Masterplan Duurzame Visserij is een mooi voorbeeld van een innovatief schip, maar de gehele sector heeft enorme sprongen gemaakt. … Wat mij betreft gaat het hierbij niet om “Lessen voor de Nederlandse visserij?” maar om “Lessen van de Nederlandse visserij?” Als kleine kustvissers op de Waddenzee onderschrijven wij het belang van diversiteit in de Nederlandse visserijsector, en ook dat in veel (deel)sectoren belangrijke stappen zijn gezet om brandstof te sparen en selectiever te vissen. Maar voor de kleinschalige lokaalgebonden kustvisserij is Nederland een heel slecht voorbeeld.

De verhalen van kleinschalige vissers uit andere landen zijn wel degelijk ook voor ons van belang. Niet alleen omdat een deel van de gekweekte gamba’s die we hier eten in tropische kustgebieden zorgen voor sociale en ecologische catastrofes. Of vanwege de rol die Nederlandse diepvriestrawlers internationaal spelen. Maar ook omdat de kleinere kustvissers in Nederland dezelfde moeilijkheden hebben als collega’s in bijvoorbeeld Afrika, Australië en Canada.

Het feit dat we in Nederland bijna geen kleine, lokaal gebonden kustvissers meer hebben betekent niet dat discussies over de verhouding tussen ‘het kleine beroep’ (uit het Frans, le petit métier) en de grotere visserijen hier niet relevant is. In tegendeel. Dit feit toont aan dat gerichte aandacht voor het kleine beroep in Nederland dringend noodzakelijk is. Als kleine kustvissers op de Waddenzee hopen wij daarvoor op de steun van Slow Food en de YFM. De dilemma’s van onderliggende verdeelvraagstukken worden nu niet opgepakt, terwijl juist de YFM als groep van jonge, nieuwsgierige en welwillende buitenstaanders daartoe in staat zou kunnen zijn.

Lindsey Wuisan en Sarah Verroen hebben gelijk dat het niet gaat om een principiële strijd tussen groot en klein, of een competitie over wie het meest duurzaam is. We zullen het in de visserijsector toch vooral samen moeten doen. Daarbij hoort wel onderling respect, én een overheid die de belangen van deelsectoren zorgvuldig afweegt en ook de kleinschalige visserij ruimte geeft om rendabel te kunnen opereren.

Met alle respect voor de grote innovatieve stappen die in de Nederlandse kottervloot worden gezet; zij hebben niet het monopolie op innovatie en slim gebruik van moderne kennis en inzichten. Al wordt de ontwikkeling vaak afgeremd door restrictief natuurbeleid, ook de kleinschalige en ambachtelijke deelsectoren zijn constant in beweging. Helaas is de politieke en maatschappelijke aandacht voor visserij-innovaties wel bijna uitsluitend gericht op de kottervloot. Het ministerie zet zich in voor de bedrijfseconomische overleving van grotere vlootsegmenten binnen de grenzen van maatschappelijk draagvlak. Door zich daar volledig op te richten ontstaat een éénzijdige focus en wordt geen rekening gehouden met de effecten voor de kleinere visserijtakken. Feitelijk wordt de kleine kustvisserij in de ‘verduurzamingsprocessen’ systematisch veronachtzaamd. Dat is voor die kleinere visserijen een groot probleem want we bevissen dezelfde Oost-Atlantische wateren binnen dezelfde wettelijke (EU) kaders voor dezelfde markt. Ontwikkelingen binnen de kottersector hebben dus ook gevolgen voor andere deelsectoren, waaronder de staandwantvissers op tong, kleine lokaal gebonden garnalenvissers en de kleinschalige zomervisserij op zeebaars op stranden en kustwateren.

Het opschalen van de pulsvisserij heeft door de grote effectiviteit gevolgen voor de prijs en beschikbaarheid van tongquotum. Het in elkaar storten van de staandwantvisserij op tong is daar een effect van. Er is ook een verhoogde visserijdruk op garnalen doordat gemengde visserijbedrijven bij gebrek aan tongquotum een groter deel van het jaar op garnalen vissen. Een andere ontwikkeling, die van de flyshootvisserij, is één van de oorzaken van de verhoogde visserijdruk op de winteraggregaties van zeebaars en op rode mul. De voorjaarsvisserij op mul met staand want langs de Noordhollandse kust is inmiddels ingestort en de zomervisserij op zeebaars op de stranden is gedecimeerd. Met de ‘mosseltransitie’ is de invang van mosselzaad aan vaste opstellingen in Waddenzee en Oosterschelde door Zeeuwse mosselvissers/kwekers beleid geworden. In dat proces is over de kleinschalige vaste vistuigvisserij een extra zin opgenomen die het kleinschalig invangen van mosselzaad door ambachtelijke vissers onmogelijk maakt. Het mosselen scheppen met de riek waren we eerder al kwijt. Droogvallende mosselbanken in de Waddenzee werden in de tachtiger grootschalig opgevist en het laatste restje is weggestormd. Vervolgens werd de visserij op droogvallende mosselbanken verboden, óók voor het mosselen scheppen met een riek. Met de voor de mosseltransitie aangepaste regels voor vaste vistuigen is het definitief zo dat kleine ambachtelijke vissers op het Wad geen mossel meer mogen aanraken.

Gevolg van deze ontwikkelingen is dat van de verschillende kleine kustvisserijen in Nederland steeds minder overblijft. Het gaat momenteel met ons eigen visserijbedrijfje (TS31) zelfs zo slecht dat we overwogen hebben ons schip uit te schrijven uit het visserijregister om de kosten van leges en licenties te besparen. We doen uiterste pogingen om ons visserijbedrijf toch drijvend te houden, o.a. met oesters rapen en door mensen mee te nemen op zee. Maar daarbij gaat de kost voor de baat uit en het financieel rond breien valt niet mee. Meerdere collega’s op het Wad verkeren in net zo moeilijke situaties. Door gebrek aan perspectief is er geen opvolging en dreigt de kleinschalige visserij in Nederland uit te sterven. Maar er is niemand die het opvalt of die het genoeg kan schelen om er iets aan te doen.

Het ontbreekt in Nederland aan een eerlijk visserijbeleid met oog voor de onderlinge verhoudingen en deelbelangen, en met een doordachte afweging van maatregelen. En grotere (kotter)vissers lijken doof voor klachten over de invloed die zij hebben op de andere deelsectoren. Het voeren van een goed onderling gesprek hierover is moeilijk. We hebben het geprobeerd met de zeebaars maar dat is jammerlijk mislukt. Wij betwijfelen daarom of één gezamenlijke visie op duurzaamheid voor de hele Nederlandse visserijsector mogelijk is. Het lijkt ons ook niet nodig. Een ieder kan duurzaamheid invullen op zijn eigen manier, binnen zijn eigen grote of kleinere visserijpraktijk. Mits het de visser die aan het roer staat iets kan schelen, en hij daar ook de ruimte voor krijgt. Helaas is innovatie in de meer ambachtelijke deelsectoren vaak niet zo spectaculair en is het erg moeilijk er medewerking voor te krijgen. Het kostte bijvoorbeeld bijna 10 jaar om experimentele vergunningen te krijgen voor het handmatig rapen van oesters op droogvallende oesterbanken

Misschien wordt de kleine visserij in Nederland niet opzettelijk geëlimineerd, maar is dit het gevolg van onnadenkendheid en desinteresse. Maar ook als het geen opzet is, als ‘collateral damage’ wordt die neergang wel geaccepteerd, alsof het iets is waar niemand iets aan kan doen. Maar het verdwijnen van kleine (kust)visserij is geen natuurwet. Het is het gevolg van beleid dat systematisch het kleine beroep achterstelt, al of niet opzettelijk. En er kan wel degelijk iets aan gedaan worden, maar de wil is er niet.

Want als we politici en beleidsmakers aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor een rechtvaardige verdeling van kansen en mogelijkheden dan is men daar huiverig voor. “We zijn bezig met visserijbeleid, niet met sociaal beleid”. Die zin ontkent de enorme sociaaleconomische en sociaalgeografische impact die visserijbeleid kan hebben. Die blinde vlek moeten we aanpakken. Dat levert misschien minder gezellige gesprekken op. Maar het is hoog tijd dat een aantal dingen een keer worden gezegd.

Tekst // Jan en Barbara Geertsema-Rodenburg.